 |
|
Magere karkaskes
We kijken graag vooruit naar bet jaar 2000. Een interessante
bezigheid, bedreven door talloze geleerden en minder geleerden.
Terugkijken
past in een boek als dit zeker óók. En dan natuurlijk
voora! naar het leven van het kind. Hoe had een kind uit de
mindere klasse — zoals toen gezegd werd
—
het omstreeks 1900? De schrijver Chris van Abkoude, ons allen
bekend door zijn befaamde jeugdboeken, waarvan wij de titels
zó kunnen
opdreu¬nen, stelde in 1903 ten behoeve van een filantropische
instelling een onder¬zoek in naar de toestand van behoeftige
schoolkinderen in Rotterdam en dat verhaal, Droevig kinderleven
in Rotterdam, !iegt er niet om. ‘In Rotterdam leeft
verborgen, weggekropen in donkere schuilhoeken, onopgemerkt in
vunze stegen
en sloppen, een volksklasse, die een wanhopigen strijd voert
om het bestaan. Een strijd, zóó vreese!ijk. zóó hartverscheurend
jammerlijk, dat de aanschouwing daarvan Ons het harte doet breken.
Daar wordt geleden een wreed lijden... En die daar !ijden zijn
menschen, menschen a!s gij en ik zijn. Hun !even is één
groote boetedoening, één bitter straf-ondergaan
voor de misdaad: geboren te zijn...’ Hij vertelt dan, dat
in die donkere samen!eving te midden van goor-griezelige krot
stegen, pestdampen uitbra¬kende
mensenholen kinderen leven. ‘Kinderen, ontvangen geworden
in een omgeving van om-’t-leven-vechtende-!ompenproletariërs,
en verder opgroeiend voor ‘n twijfelachtig doel, meest
zonder maatschappe!ijke bestemming. Is ‘t hun schuld
dat ze leven? Worden ze aan de wereld gegeven, opdat deze niets
van haarzelve
geve? Die kinderen lijden... Hoe ze lijden, dat beseft ge niet,
dat kunt ge onmogelijk beseffen, wanneer gij nooit diep in hun
leven
zijt doorgedrongen!’
Van Abkoude dringt we! diep in dat leven door en gaat met zijn
lezers een aantal huizen bezoeken, waar die kinderen wonen. In
een pand
zag hij niet één onbeschadigd stuk huisraad. ‘Trouwens ‘t
heele meubilair be¬stond uit éên stoe! met ‘n
dóórgesleten zitting en ‘n wrakke tafel. De muren
waren kaa!, sombere armoede sprak uit al!es. ‘t Krotwoninkje
deed nog 8o cents huur; voor pakhuis is ‘t misschien nog geschikt,
maar voor wóónhuis... bah! ‘n Omgeving van
sombere treurigheid... En daar worden kinderen opgevoed! Die
arme kleuters... zonder één dege!ijk kleedingstuk...
om hangen met lompen... vuil door ‘t den heelen dag spelen
in ‘t
sombere woonhok... moeten ‘snachts met z’n vijven slapen
op den vloer.
D’r is nu eenmaal geen slaapplaats!’ In
een ander pand vond de schrijver de vrouw stinkend in bed !iggen.
Zij had een huidziekte, die die stank verspreidde, en !eed vreselijke
pijnen. ‘Daarbij heeft ze drie kinderen en één
op de komst! Drie verschrompelde krotkindertjes hingen over den
rand der vervelooze tafel, uitgebleekte gezichtjes, ademend
in ‘t
stank-hol. Ze waren 4, 6 en 15 jaar oud... ‘t Meisje van
15 jaar moet ‘t huishouden doen... omdat Moeder als ‘n
blok op d’r stoel ligt!... ‘n Kind van vijftien jaar
moet een hok schoonhouden, waarin bet wemelt van weegluizen
en ander ongedierte! Huisraad was er zoo goed a!s niets, en wat
er nog was,
!eek ons alleen nog geschikt voor den mesthoop’. In een
volgend huis noteerde hij dat vijf uitgehongerde kindertjes op
de grond moesten
slapen, omdat er maar één krotterige bedstee was.
Waterleiding was er we!, maar vijfendertig mensen moesten gebruik
maken van één
stinkend privaat. ‘Hier groeien de kinderen op in armoede,
gebrek, honger en... stank! Hier, in dit arme woonkrot !eeg als
een sta!, kropen bovendien nog de wandluizen van den eenen hoek
naar
den anderen’. Allemaal het relaas van schrijver Van Abkoude.
Ook al voor een goed doel ging Jan Feith, bekend om zijn bijdragen
over toeristische onderwerpen, in zijn Verwaarloosde jeugd,
in 1918 de armste delen van Amsterdam in. ‘Zoo zijn het
hier steeds weer dezelfde beangstigen¬de buurten, niet
al!een omdat de misdaad en ontucht er overal loeren, of omdat
het er
altijd
donker is, met
nooit binnendringende zon, en de onreine lucht er de !ongen
verpest en a!les er grauw is van ellende, met nooit eens een
verfrisschenden
wind-stoei-maar omdat je daar zoo volstrekt al!es mist wat
aan ons menschelijk bestaan een glimp van bekoring kan geven,
geen
enkel
intimiteitje van geluk, geen kleurtje om je over te verb!ijden,
geen geurtje van verzorgden bloempot, geen simpel stukje huisraad,
omweefd
met het nauwelijks waarneembare waas van klein geluk, om het
intiem bezit van zoo jets. Van dit alles is er aan zulke menschelijke
woonkrotten, noch van binnen, noch van buiten, iets te bespeuren, — niets,
niets dan jammerlijke ellende, afstootende armoe, onzegbare
vervuiling’.
En dan vervolgt Feith aldus: ‘Toch leven bier kinderen;...
in deze omgeving worden ze geboren;... tusschen deze vier groeze!-vuile
wanden moeten ze opgroeien, leeren ze krui¬pen over de
kierende p!anken van den v!oer, strompelen ze hun eerste schre¬den,
om zoo viug moge!ijk den weg te vinden over de duistere porta!en,
dan
langs de moeilijke traptreden neer te dalen, de steeg-ruimte
te zoeken, om daarboven wat meer ruimte te !aten voor de anderen;...
maar straks
kruipen ze weer terug — hongerig, verregend, verkleumd’.
Hij gaat naar een krot in de Passeerderdwarsstraat waar de
vroUw, a! was bet laat in de morgen, nog op bed lag. ‘In
de lage ontredderde kamer speelden wat ha!f-naakte kinderen
met vui!en
rommel. De oudste
kinderen waren de deur uit, aan ‘t bedelen. De man joeg
achter ze aan. loerend om de straathoeken, of ze wet ijverig
hun hand
uitstaken om geschooierde centen op te halen, noodig voor zijn
drankgeld. En
uit ‘n vieze spe!onk achter in bet schemerige woonhok
begon dadelijk dat luie wijf tegen ons te schelden en te vloeken,
omdat
we d’r kwamen storen’. In de Ratelwachtsteeg trof
hij een moeder met drie kleine kinderen ‘in vreeselijke
vervuiling daar rondkruipend over den kalen vloer’.
Die
vrouw bedreef de zonde thuis, zo zegt Feith: en zij was doodsbang
dat er politie
zou komen om een einde te maken aan deze arbeid. ‘En
ze jammerde de eigen schande in harde snikken uit. Zoodat haar
vuile
kinder-troepje
even met zijn gejenge!
ophie!d, en toch kwam wegschui!en achter den lompigen rok
van de moeder’. In een andere steeg trof hij een dergelijke
vrouw. ‘Toen we daar binnen kwamen, hield ze haar jongste
kind op schoot, — ‘n griezelig scharreminkeltje
van eenige weken oud, !evend ske!etje, !oodblauw. Op stoe!en
zaten
twee andere kinderen; bet een van misschien één
jaar, vastgebonden aan de !euning, het ander een iets ouder
kindje. Ze waren bijna geheel naakt. En hun magere karkasjes
staken zie!ig
door de vuile !ompjes heen. De moeder buitte zich diep over
het kindje dat bijna zonder beweging op haar schoot !ag.
Ze was eene
vaste klant van den Voogdij-raad, — te!kens waren al
van haar andere kinderen wegens hun onophoudelijk bedelen
door de
po!itie aangehouden, en achtereenvolgens had ze die moeten
afstaan’. Het ergste wat Feith te horen kreeg, speelde
zich af in de Baanbrugsteeg. ‘Toen we daar onzen weg
naar boven hadden gezocht, kwamen we te staan tegenover een
twaa!fjarig
meisje. En op onze vragen, kregen we haar re!aas te hooren,
voorgedragen met kinder¬lijk rustige woorden, over haar
ontuchtige moeder, over den man, die daar nu weer sedert
kort als haar “vader” over
den vloer kwam, over al de verfoei¬lijkheden, die zich
bij dag en nacht in dit eenige woon-vertrek afspeelden. Met
vreemde
rustigheid in de stem en met kinderlijke onbevangenheid in
de oogen, bleef daar dat meisje, zelf nog gehee! kind, ons
vertellen
van den onzegbaar wa!gelijken levenswandel van haar eigen
moeder’.
Zo ver het verhaal van Jan Feith.
Een man die wij hier, wat zijn visie op dit type kinderen betreft,
zeker moeten noemen is de in 1948 overleden A. H. Gerhard,
kort ge!eden aangeduid als vrijdenker, socialist en opvoeder.
Deze in 1858 geboren onderwijzer kWam a! in 1893 in een
bijdrage De school, de onderw(jzer en de maatschappij tot
een aangrijpend stuk proza waarin hij verte!de hoe hij stond
tegenover
!eer!ingen. ‘Ge hebt onder Uw !eerlingen een jongen met
goede vermogens, doch uit een gezin waarvan de vader een dronkelap
of de moedereen slons is, waar eeuwige huise!ijke twisten heerschen,
en waarin de jongen of het wederzijdsche mikpunt of de wederzijdscbe
vertrouweling is. Hij komt slecht ter school, en ge kunt daarin
geen verandering brengen, want op de ouders mist ge allen invloed.
De jongen verlaat haar eindelijk te vroeg, doordat hij of te
spoedig moet helpen verdienen of reeds opjeugdige !eeftijd
verwilderd raakt. Dan, dan beklaagt ieder den armen jongen,
en met droefenis
voorspelt ge den knaap een treurig !ot: “want wat kan
er zóó van hem groeien?” En, o driewerf
huichelachtige maatschappij, als hij op 20-jarigen leeftijd
eindelijk geworden
is, wat hij vo!gens ieders getui¬genis worden móést
buiten zijn schuld, dan stoot die maatschappij hem a!s onrein
uit’. Dan stelt Gerhard de vraag waarom er zovee! kostelijke,
geeste!ijke en morele goederen uit onze nationale rijkdom verloren
gaan. ‘Slecht verzorgd, vroegtijdig bedorven, verzonken
in het zede!ijk moeras onzer maatschappij, verstoken van het
levenwekkend !icht en van de koeste¬rende warmte der economische
onafhankelijkheid, gaat bet grootste gedeelte van geestelijk
en moree! kapitaal, opgehoopt in de zoo ontvanke!ijke hoof-den
en harten onzer kinderen, onherroepelijk te gronde. Is bet
wonder, dat de onderwijzer, die de verwezenlijking zoekt van
zijn ideaa!
in de school, onweerstaanbaar gedreven wordt naar den wanhopigen
strijd daarbuiten, die de opossingder sociale kwestie beoogt?
Al het leed, dat in de menschen

wereld geleden wordt treft hem dubbel, omdat hij de akelige gevo!gen
ervan dagelijks waarneemt in zijn k!eine were!d, waarin zich
a! de deugden en zonden der groote met weerzinwekkende getrouwbeid
afspiegelen. Wiens hart geopend is voor het leed der mi!lioenen “onterfden”,
wiens geest voor¬beschikt is tot bet steeds vorschen naar
de “oorzaken”, dien leggen de erva¬ringen in
de school een aanklacht op de lippen tegen de maatschappij. Slechts
a!s deze aan a! hare leden welvaart en geluk verzekerd, voor
ieder den weg openste!t tot vo!ledige ontwikkeling van zijn of
haar gaven en de mo¬ge!ijkheid verschaft om den arbeid te
verrichten, die bet meest in overeen¬stemming is met aanleg
en vermogens, over allen de zon van een vreugdevo! bestaan doet
schijnen, dan eerst zal het kind kunnen verlangen, wat “des
kinds” is, zal de school aan haar ideale roeping kunnen
beantwoorden’.
Verwondert het de lezer dat wij de onderwijzer Gerhard straks ook
zu!len aantreffen bij bet pri!!e begin van het genootschap?
Onderwijzers hebben trouwens veela! oog gehad voor de ellende van
de kinderen in de stad.
En zij pleitten zelfs in bun eigen termen
van die dagen voor vakantiekolonies. Dat blijkt uit een zeer
kleine brochure uit 1905 getiteld Vacantie, te verkrijgen bij mejuffrouw
E. Biegel, Thorbeckeplein nummer 10 te Amsterdam, tegen
de schappelijke prijs van zeven centen. Deze brochure werd uitgegeven
naar aanleiding
van een enquête gehouden door de afdeling Amsterdam van
de Bond van Nederlandsche Onderwijzers. De samensteller van de
brochure — zelf
onderwijzer — vertelt dat hij en zijn collega’s drie
weken met vakantie zuilen gaan. Om nieuwe krachten op te doen.
Naar bos, naar zee, naar berg. Maar hij had een nare overpeinzing.
Jn onze verbeelding zagen we onze leer!ingen, slenterend of spelend
langs stoffige straten, of in nauwe sloppen, waar bet zonlicht
ais door een nevel moet heenbreken, waar de ademha!ing beklemd
wordt door de gore lucht, die ons van ult de huizen tegenkomt’.
De schrijver denkt erover na wat er van de kinderen geworden
zou zijn als zij eens een tijdje hadden kunnen doorbrengen in
een gezonde
streek. Hoe zouden zij er dan na een vakantie we! hebben uitgezien? ‘Ais
zij eens gedurende die voile drie weken de prikke¬lende zeelucht
of de kruidige geur van bosch of heide hadden kunnen made-men,
als zij eens naar bartelust hadden mogen rol!en in het koesterende
zand van onze duinen of in het sappige groen van onze veiden,
als... maar waartoe verder gedroomd? De werkelijkheid is toch
zoo geheei
anders. Vrij zijn ze geweest, maar het was eene vrijheid, die
aan bandeloosheid grenst; bet opvoedende, bet verheffende van
de vacantie,
ze hebben het niet leeren kennen. Ze hebben gespeeid in de straat,
waar zij wonen, vuiler dan wij ze ooit op school te zien krijgen,
ze zijn geëxploiteerd in de bedrijven van ouders of anderen,
ze hebben op broertjes en zusjes gepast, ze hebben geva¬gebondeerd
!angs kaden en aanlegplaatsen van schepen, ze hebben stroop¬tochten
ondernomen naar de Rietlanden, ze hebben gerookt, ze hebben gesnoept,
ze hebben gezwommen in de pub!ieke wateren, ze hebben ge¬knoeid
met bet water uit de drinkfonteinen, ze hebben gezocht in de
vui!nis¬vaten
en den inhoud over de straat verspreid, ze hebben overal in den
weg gelopen, ze zijn overal teruggejaagd’.
Ach, de schrijver weet best dat er talrijke moeders zijn die
een of meer middagen vrij nemen om met bet kind naar park of
p!antsoen
te gaan. ‘Wij kennen ze wel, die aardige groepjes, doch ze
komen nog maar spora¬disch voor in verhouding tot onze bevolking’.
Maaréén ding staat we! vast. ‘Den onderwijzer,
die beiang stelt in zijn leerlingen, kan het niet onverschiilig
zijn, hoe dezen hun vacantie hebben doorgebracht’. Vandaar
dus die en¬quête: Waarop wij bier verder niet ingaan.
Met één uitzondering. Hoeveel kinderen gingen er
eigenlijk naar een vakantiekoionie? Slechts één procent.
Op een geenqueteerde groep van meer dan tienduizend. En dat is
een schan¬de. Want vakantiekolonies moeten er gesticht worden.
Luister goed. ‘De krotten zijn nog niet geslecht, de sloppen
nog niet weggeruimd, parken en speeiterreinen nog niet dade!ijk
aangelegd, goedkoope reisgelegenheid nog niet verschaft, zooiang
de middelen van vervoer niet in handen zijn van de gemeenschap,
maar vacantie-spelen en vacantie-ko!onies, dat kunnen wij binnen
afzienbare tijd bereiken. Spelen voor de gezonde kinderen, die
thuis kunnen biijven, kolonies voor de talrijke bloedarme, k!ierachtige
we¬zentjes, die wegkwijnen of sukkelend voort blijven !even’.
Zo hoort men het nog eens uit de mond van een onderwijzer die
in 1905 avonden gebogen zat over cijferreeksjes. Om te zien wat
schoo!kinderen
flu eigenlijk in bun vakantie uitvoerden
|