 |
|
De hand aan deploeg
In Nederland is bet eigen!ijke vakantieko!oniewerk in 1883 begonnen,
toen Mr. A. Kerdijk en mevrouw N. G. Cnoop Koopmans-Bunge hun
initiatieven
namen.
Evenals in bet buiten!and vinden we echter ook hier voordien
een stuk werk voor het zieke kind, een belangrijk stuk werk,
mede omdat
vanuit deze arbeid een directe lijn loopt naar de tegenwoordig
nog bestaande protestants-christelijke kinderuitzending.
In 1873 werd namelijk in Zeist bet kinderherste!lingsoord Bethanië gesticht,
genoemd naar de plaats waar de bijbelse Lazarus indertijd woonde.
Het huis werd opgericht door mannen en vrouwen uit de kringen
van bet zo genoemde Reveil; een geestelijkmaatschappelijke
beweging uit bet midden van de vorige eeuw, waar een orthodox
geloof gepaard
ging met een innig godsdienstig beieven met daarbij de bereidheid
om iets te doen aan de nood die men om zich been zag. Het eigenlijke
plan om Bethanië te stichten was afkomstig van W. van Oosterwijk
Bruyn, die a!s administrateur optrad. De eerste kinderen werden
gep!aatst in een gedeelte van een voorma!ig Nederlarids-Hervormd
weeshuis aan
de Slotlaan in Zeist. Er was daar p!aats voor 36 kinderen. Bethanië werd
opgericht a!s een inste!ling die niet direct werkzaam was als
een uitzendende inrichting; er werden a!!een kinderen opgenomen
die via derden werden gezonden: weeshuizen, diaconieën,
verenigingen op het gebied van de vo!ksgezondheid en de liefdadigheid.
Het doe is duide!ijk omschreven in de statuten. Het ging om zieke,
behoeftige kinderen. ‘De stichting Bethanië heeft
ten doel: door ziekte, ongezond k!imaat of andere oorzaken verzwakte
en tevens behoeftige kinderen van ongeveer 4 tot 12 jaren, die
tot herstel van gezondheid de buiten!ucht en versterkend voedsel
nodig
hebben, op
te nemen. De inrigting ‘is een Christe!ijke. Zij wordt
opgerigt in den naam van den Heer Jezus Christus, van wien al!een
zegen en gedijen verwacht wordt. Zij neemt overigens alle kinderen
op, zonder onderscheid van geloofsbelijdenis, wanneer de
ouders of voogden toestaan, dat zij zich aan de huisordening
onderwerpen.
De kosten der inrigting worden bestreden uit vrijwillige
giften. Door een toelage van /25 in eens af, kan iedereen, voor
zoover de ruimte dit toe!aat, êén kind voor zijne
rekening p!aatsen’. Uitgaande van een vast fundament werd
dus geen kind uitgesloten.
In 1962 werd de vereniging Bethanië overgedragen aan de
Vereniging voor Christelijke Gezondheidskoloniën in Nederland
te Nunspeet, waarvan het bureau te Zeist gevestigd was. In 1969
kwam Bethanië door fusie in de stichting Tehuizen van de
Protestants Christe!ijke Kinderuitzending P.C.K. Naast Bethanië bestond
in Den Haag sinds 1875 de ‘s Graavenhaagsche Zeebad-inrichting
voor Minvermogenden te Scheveningen. Een commissie tot oprichting
van een monument voor de toen overleden koningin Sophia be¬sloot
dit instituut uit te breiden waarna deze Sophia-stichting in
1880 ge¬opend werd. Het was een huis voor verpleging van
zieke kinderen, met name kinderen die leden aan kiierziekte of
aan bloedarmoede; met daarnaast reconvalescenten van tyfus,
huidziekten en warme koortsen. Bij de kuurwerd gebruik gemaakt
van bos- en zeelucht, terwij! veel aandacht werd geschonken aan
de voeding en het baden; enke!e patiënten dronken bij de
kuur ook gefi!treerd zeewater. Verschillende verenigingen uit
bet gehele land zonden zieke kinderen naar dit instituut.
In Zandvoort stond het Badhuis voor Minvermogenden, daterend
uit 1 86o, waar naast volwassenen zieke kinderen werden verpleegd.
Ook elders vond men zeer sporadisch mogelijkheden om zieke kinderen
onder te brengen.
Het gaat ons hier echter om de uitzending van gezonde kinderen
naar vakantiekolonies. Een belangrijk punt is geweest dat
dokter S. S. Corone! de aandacht heeft gevestigd op het bestaan
van deze kolonies en we! in bet Nederlandsch Tijdschrift voor
Geneeskunde van 1882. Coronel, toentertijd in Leeuwarden werkend,
is aangeduid a!s pionier op speciaal-hygiënisch gebied
en a!s voorvechter van de kinderbescherming; hij was een publicist
op velerlei gebied. In een eerste bijdrage behandelde hij de
herstellingsoorden voor verzwakte, minvermogende kinderen
in bet buiten!and. Daarna kwamen de herste!lingsoorden voor
zieke!ijke
minvermogende kinderen in het binnen!and aan de orde. Hij verte!de
uitvoerig over verschi!lende instel¬!ingen die erwaren
voorziekelijke kinderen. Voora! wees hij op de noodzaak dat
de landelijke herstellingsoorden
gehee! afzonderlijke stichtingen behoorden te zijn, waar
dus geen volwassenen verpleegd dienden te worden, zoals toentertijd
nog vaak bet geval was. En dan komt zijn zeer be!angrijke conclusic. ‘Daarom
zouden wij het dringend noodig achten, dat bet vermogende en
weldadige Amsterdam de hand aan den p!oeg sloeg, om in een
stii gezond oord een doe!matige, maar eenvoudige stichting
tot stand
te brengen, waar uits!uitend kinderen van de min- en onvermogende
k!assen een vei!ig en gezond toevluchtsoord zouden kunnen vinden,
waar de geesteiijke naast de lichame!ijke vermogens harmonisch
worden ontwikke!d. Aan deze stich¬tingen zouden de elders
zooveei opgang makende schoolkinderkoloniën zich kunnen
aansluiten’. Coronel besloot aldus: ‘Wij nemen
de vrijheid onze collega’s daartoe op te wekken en twijfe!en
niet, of de verstandige weldadigheidszin onzer meervermogende
landgenooten zal daartoe gaarne de behulpzame hand willen bieden.

Geen ziekelijke philantropie, maar verstandige economie moet
de grondsiag zijn, waarop dergelijke inrichtingen
gevestigd zullen worden. Dan alleen kan men verwachten, dat
zij aan haar doe! zullen beantwoorden, kweekplaatsen van
gezondheid te zijn voor ons opkomend geslacht’. Kiassieke
woorden; want men mag aannemen, dat door deze artikelen van
Coronel
de eerste
initiatieven op dit gebied van de grond zijn gekomen. Reeds
in 1883, een jaar na deze pub!ikatie.
Dat betekent dat wij flu de praktijk gaan bekij ken. Daarbij
komen we allereerst in aanraking met Mr. A. Kerdijk (1846—1905).
Hij was van 1873 tot I 88o schoo!opziener en ijverde voor de invoering
van de leerplichtwet. Bij de oprichting van de Rijkspostspaarbank
in i88o werd hij tot directeur benoemd. Van 1881 tot 1887 was hij
a!gemeen secretaris van de Maatschap¬pij tot Nut van ‘t
A!gemeen en van 1887 tot 1901 lid van de Tweede Kamer. Ook
was hij redacteur van het Sociaal Weekblad. Kerdijk heeft
tussen 1880 en het begin van deze eeuw grote invloed gehad
op bet
totstandkomen
van vele nieuwe sociale maatregelen. Hij heeft ook de bekende
vergadering
van

24 december 1901 voorgezeten. Daarna heeft men bij het directe
werk van bet Centraa! Genootschap weinig meer van hem gehoord
omdat hij op breder terrein werkzaam was. In 1883 werd door Kerdijk
een proef genomen met uitzending van kinderen naar buiten. Hij
had een zeer grote weerstand te overwinnen bij de gezeten burgerij
bij wie hij om geldelijke steun aanklopte. De gedachte dat arme
en zwakke kinderen na een heerlijk verblijf in de vrije natuur
zouden moeten terugkeren in hun erbarmelijke sloppen en stegen,
verontrustte hen. Tot nu toe, zo redeneerden zij, weten deze
kinderen niet wat zij ontberen; a!s we die kinderen flu voor
een korte tijd laten genieten van een voor hen ideale toestand,
dan maken we ze bewust van het verschil; die kinderen worden
na hun terugkeer diep-onge!ukkig: en zo kweekt men ontevredenheid
en men doet er meer kwaad dan goed mee. Kerdijk vond toch steun
bij enkele buitenstaanders. Twintig kinderen gingen gedurende
drie weken naar een bescheiden hotel bij de Pyramide van Austerlitz.
Een dochter van Kerdijk, mevrouw A. F. S. Schepel-Kerdijk, heeft
jaren en jaren later verte!d, hoe het daar toeging. De gelagkamer
van die uitspanning werd ingericht als eet- en dagverb!ijf,
terwiji op de zolder slaapgelegenheid werd geschapen, waarbij
gebruik werd gemaakt van linnen veldbedden. Als geleiders voor
de tien jofigens en de tien meisjes gingen de onderwijzer Brouwer
en zijn vrouw mee. Van te voren was er heel wat werk te verzetten.
Er moest speciaal een kledingvoorraad worden aangelegd. Verder
ging me¬vrouw Kerdijk met haar gezin van vier kindereri,
waaronder de verteister, en een kindermeisje in bet nabijge!egen
Maarn in een boerderijtje logeren. Om van daaruit toezicht te
houden. Mr. Kerdijk kwam alleen de weekends over. Enfin, de kinderen
kwamen per trein uit Amsterdam naar Zeist en reden vandaar met
een versierde janp!ezier naar de Pyramide van Auster!itz. Mevrouw
Brouwer brak meteen haar been. Mijnheer Brouwer in al!e staten.
De kinderjuffrouw van de Kerdijks ging in bet kleine hotel he!pen
en ook mevrouw Kerdijk kwam iedere dag; zij liep dan met haar
vier kinderen
—
er was geen andere moge!ijkheid — van Maarn naar de Pyramide,
waar mevrouw en de kinderjuffrouw de ko!oniekinderen in een badkuip
op de lemen v!oer van de stal gingen wassen, waarna de hoofden
gereinigd werden. Daarna werden er wandelingen gemaakt en de
toentertijd bekende ‘werkjes’ vervaardigd, speciaal
fraai versierde lijsten voor prentbriefkaarten. En ‘s avonds
liep mevrouw Kerdijk met de vier kinderen weer terug. Zo ging
dat toen! Mevrouw Kerdijk nam nadien nog een be!angrijk besluit.
Zij vond dat de beschavende invloed uitgaande van de kolonies
moest worden voortgezet. Zij liet de tien meisjes iedere week
een avond bij haar thuis doorbrengen; mevrouw las voor en de
kinderen leerden handwerkjes maken. Er bestaat over dit werk
een prachtig verhaa! afkomstig van Kerdijk zelf, dat hij indertijd
publiceerde in Eigen Haard van 1884. Kerdijk had, zo schrijft
hij, ge!ezen over verblijdende uitkomsten en opwekkende ervaringen
van gezondheids- en vakantiekolonies in Zwitser!and en in Duits!and.
Nu de proef in 1883 aardig gelukt was, kon daarop worden voortgebouwd. ‘Er
werd een commissie gevormd, die een beroep deed op het hart barer
stadsgeriooten en een aanslag op bun beurs; aan medewerking van
den kant der pers ontbrak het niet; Justus van Maurik beval de
zaak aan op een wijze, die evenveel eer aandeed aan zijn gemoed
als aan zijn talent; een behoorlijke stapel briefkaarten bracht
genoeg toezeggingen van giften in ééns en jaarlijksche
bijdragen; een kinderzanguitvoering, die, dank zij de toewijding
der onderwijzers en de bezielende leiding van Brandts Buijs,
uit¬muntend van stapel liep, gaf een aanzienlijke
bate’. Zo kon in 1884 alles al groter worden opgezet.
Er
vormden zich twee commissies, respectievelijk van heren en dames — zo
ging dat toen — die zich echter a! spoedig tot één
commissie verenigden; zo kwam de later bekend geworden Amsterdamsche
Vereeniging voor Gezondheids- en Vakantiekolonies tot stand,
de eerste vereniging van die aard, waarvan de statuten in
de Staatscourant van 19 november 1884 werden opgenomen. Er konden
nu dank zij jaar!ijkse bijdragen van 2560 gulden en 4230 gulden
aan giften ineens 179 kinderen in acht groepen verdeeld voor
drie weken gezonden worden naar het hotel bij de Pyramide van
Austerlitz en naar een gebouw van de Maatschappij tot Exploitatie
van bet Noordzeebad in Egmond. De keuze van de kinderen was niet
eenvoudig. Kerdijk vertelt wat zijn uitgangspunten waren. ‘Op
den voorgrond stellende, dat eigenlijk zieke kinderen, die medische
behandeling behoefden, niet pasten in het kader van onzen
maatregel, noodigden wij de hoofden der openbare scholen Iste
en 2de klasse, alsmede die der daarmede gelijkstaande bijzondere
scholen uit, een aanbevelingsbiljet af te geven aan leerlingen,
die huns erachtens in de termen vielen. Dat billet moest, geteekend
door een geneesheer, in onze handen terugkeeren. En uit de aldus
aanbevolenen werd tenslotte, na een persoonlijk onderzoek door
bet geneeskundige lid der commissie, de een teleurgesteld door
een afwijzende beschikking, de ander gelukkig gemaakt door
de tijding, dat hij of zij op de lijst der uitverkorenen was
geplaatst’. De kolonies stonden onder leiding van onderwijzers. ‘Een
vijftal onderwijzers met hun echtgenooten, even zooveel onderwijzeressen
en een dame die aan ziekenverpleging haar leven wijdt, hebben
onder elkander het werk verdeeld. De verantwoordelijkheid,
die op hen rustte; de lichamelijke verpleging van de kinderen,
bij sommiger onreinheid wel eens onaangenaam genoeg; de zorg
voor kleederen en lijfgoed; de opvoedende invloed, die van hen
moest uitgaan — dat alles stelde tamelijk hooge eischen.
Maar het streven om daaraan te beantwoorden was dan ook
een bron van rein genot; de dankbaarheid, de aanhankelijkheid
der pleegkinderen loonden de moeite’. Het ging om bevordering
van bet Iichamelijk en geestelijk we!zijn van misdeelde kinderen
uit de achterbuurten van de grote steden. ‘Met nadruk
zeg ik: ook voor hun geestelijk we!zijn. En hier bezig ik het
woord geeste!ijk in zijn ruimsten zin. Bevordering van de
gezondheid, versterking van bet weerstandsvermogen tegen ongunstige
stoffe!ijke levensomstandigheden zij en blijve bet eerste doe!
dezer ko!oniën; maar ik vergis mij toch niet in de verwachting,
dat zij te grooter sympathie vinden moeten, naarmate zij nut
stichten ook in ander opzicht? Dit nu doen zij ongetwijfeld.
Wie bet uiter!ijk, de gelaatskleur, de gansche lichaamshouding
der meeste huiswaarts keerenden vergeleek met hetgeen hij
bij hun vertrek had gezien, moest den naam van gezondheidskolonies
gewettigd verklaren. Maar wie de kinderen daarbuiten mocht gade¬slaan,
aan de waschtafels ‘s avonds of ‘s ochtends, op hun
wande!ingen en bij hun spelen, in hun onderling verkeer en in
hun omgang met de volwasse¬nen, begreep welk goed zaad uit
opvoedkundig oogpunt daar werd gezaaid. Zou we! ongelijk hebben
de onderwijzer, die mij zeide: “In die drie weken hebben
zij meer kennis opgedaan dan in bet dubbele van dien tijd op
school”? Wie miskent de winste, verkregen door den gewekten
zin voor reinheid des !ichaams en door het leeren van de kunst
om dien te bevredigen?

Is het niet merkwaardig, dat verscheiden moeders getuigen van
beter hu¬meur, van meer inschikkelijkheid en verdraagzaamheid?’ Kerdijk
vertrouwt ons na een lang verhaal ook toe dat de kolonies, zij
bet voor een bescheiden deel, bijdragen tot bevordering van de
maatschappelijke vrede. In ieder geval: ‘Wat mij betreft,
zelden heb ik aan eenige bemoeiing deelgenornen, die mij meer
genoegen schonk’.
In de volgendejaren kon dit werk belangrijk worden uitgebreid.
Zelfs werd het gebouw Kostverloren in Zandvoort aangekocht. Binnen
enke!e jaren werden jaarlijks 300 kinderen uitgezonden. Ook toen
a! wilde men weten hoe de kinderen gereageerd hadden op hun verblijf.
Vandaar dat er aan de hoofden van scholen, bezocht door uitgezonden
kinderen, vragen werden gesteld, die in het algemeen zeer positief
werden beantwoord. Dit waren de vragen: Is de gezondheidstoestand
verbeterd? Zo het kind vroeger de school verzuimde, is daarin
verbetering gekomen? Is er een gunstige veran¬dering in de
vatbaarheid op te merken? Is bet kind netter en ordelijker geworden?
Is het kind levendiger, misschien lastiger geworden? Bespeurt
gij, dat het kind ontevreden is met zijn huiselijke omgeving?
In hetzelfde jaar a!s Kerdijk — maar vermoedelijk geheel
onafhanke!ijk van hem — namelijk in 1883 — opende
mevrouw Cnoop Koopmans-Bunge, daarbij financiee! gesteund door
enige belangstel!enden, een eigen kinder¬huis te Zandvoort.
In dat jaar werden enkele kinderen tijdens de vakantie verpleegd
in een verblijfdat oorspronkelijk bet Kinderhuisje heette, gelegen
aan de Hogeweg aldaar. Twee jaar later werd een ruimere woning
betrokken, waar kinderen flu telkens drie weken konden verblijven;
steeds vier groepen van elk 25 kinderen die afkomstig waren van
vier lagere scholen uit Haarlem; want tot die stad was bet werk
van de stichting Haarlemsch Kinderhuis te Zandvoort beperkt.
Een ander particulier huis was dat van mevrouw J. C. de Bruin-Boddaert,
die haar kasteel te Oostkapelle bij Domburg inrichtte als kinderhuis,
waar Zeeuwse kinderen onderdak konden vinden; zij bleven daar
dan drieëneenhalve maand.
Intussen kreeg bet initiatief van Kerdijk en de stichting van
de genoemde Amsterdamse vereniging navolging. In Den Haag werd
in hetzelfde jaar als in Amsterdam het initiatief genomen om
kinderen van onvermogenden een kort verblijf buiten te verschaffen.
De loge L’union Royale wees een voorlopig comité aan
om dit te rea!iseren. Men ging bij Kerdijk op bezoek en er werden
twee artikelen in Het Vaderland gepub!iceerd. Op 5 mci 1884 werd
toen de vereniging Vacantie-uitstapjes voor arme, zwakke schoolkinderen
opgericht. Meteen daarop was een bedrag van ruim f1 8oo bijeen,
waarvoor twintig kinderen konden worden uitgezonden. Op 28 ju!i
van dat zelfde jaar vertrok de eerste groep kinderen naar Princenhage
voor een verb!ijf in het kroegje van mejuffrouw Qonincx. Voor
drie weken bedroeg de prijs voor kost en inwoning f5oo. Er was
heel wat werk verzet voordat het zover was. Eerst moesten de
kinderen worden geselecteerd en op de dag van het vertrek moesten
zij zich bij een badinrichting melden, voorzien van schoon lijfgoed.
Aan de ouders was verzocht bet haar van de kinderen te laten
knippen. Na het bad kregen de kinderen een ontbijt en dan ging
bet naar het station. Met onderwijzer Kuyk en zijn vrouw; want
dat echtpaar had de leiding gekregen tegen een vergoeding van
f8o. Er waren ook hee! wat huisrege!s opgesteld. ‘Ingeval
de bewoners van Princenhage offerten mochten doen aan de kinderen, dit met reserve aan te nemen, echter
bier, wijn of geestrijke dranken beslist af te wijzen. Tevens zu!len
de kinderen bepaald uit de ge!agkamer worden geweerd’. De
verblijfp!aats was tenslotte een kroeg. Ook voor het bidden was
een regel opgeste!d; de beer Kuyk zou voor de maaltijd een ernstig
woordje spreken. Het verblijf ver!iep zeer goed. En op 18 augustus
kwam het gezelschap terug en werd nog een maaltijd in de Vo!ksgaarkeuken
aangeboden. Het uitzendcomité was zo tevreden, dat onderwijzer
Kuyk nog een extraatje van twintig gulden kreeg aangeboden.
Het jaar daarop werden twee groepen van twintig kinderen uitgezon¬den.
De vereniging veranderde al spoedig van naam. Eerst was het Vacantie
Kolonies voor zwakke, ziekelijke Kinderen, om kort daarop te worden
gewijzigd in ‘s-Gravenhaagsche Vereeniging voor Gezondheidskolonies.
In 1893 was men al zover dat in Leur een eigen koloniehuis kon
worden geopend. Het begin van een voorspoedige groei.
Als derde stad vo!gt Rotterdam, waar de eerste vereniging van deze
aard dateert van 1885 toen negentien kinderen een vakantie in Ulvenhout
doorbrachten en eenentwintig in Oostvoorne.
Verenigingen van gezondheidskolonies werden in 1887 ook gevormd
in Groningen en Leeuwarden; hier werd gebruik gemaakt van
een koloniehuis op bet eiland Schiermonnikoog.
Daarna begon er, wat de oprichting van verenigingen betreft, een
rustperio¬de. Er kwamen tegenkrachten in het geweer. Ging bet
bij dit werk niet om kinderen die enige weken eens lekker vakantie
kregen? En was dat nu zo nodig? Werd bier geen ziekelijke filantropie
bedreven? Was bet niet een soort bedeling? Waren er hier geen al
te mooie ideeën in het spel? En moest men voor zulke dingen
nu geld geven? Dat dan wel ondanks het feit dat toen W. Kouwenhoven
in 1899 tot arts promoveerde een van zijn stellingen luidde: ‘Gezondheidskolonies
verdienen de warme ondersteuning van den geneeskundige’.
Samenvattend kan men in de eerste p!aats zeggen dat in ons land
eigenlijk van bet begin af aan is toegewerkt naar de gedachte van
koloniehuizen en dat van zo genoemde gezinsverpleging weinig sprake
is; in de tweede p!aats is de periode van 1883 tot v!ak voor 1900
de tijd geweest van deernis met het kind uit s!oppen en stegen
dat toch wel eens van zon en lucht mocht genieten; bet was ook
de tijd van bescheiden filantropische arbeid, waarbij aan de !eiding
geen specia!e eisen werden geste!d.
|